Implementeren is in de mode. Beleid, evidence-based richtlijnen, innovaties – alles moet geïmplementeerd. Waar geïmplementeerd moet worden, moet altijd iets veranderen, en het is de missie van de implementatie wetenschappen om systematisch te implementeren en om te leren van evaluaties van systematisch opgezette implementatie trajecten.

De opkomst van de aandacht voor implementatie getuigt van een toenemend besef dat nieuwe kennis, nieuw beleid, nieuwe technieken of wat dan ook, niet als vanzelf gebruikers vinden en niet automatisch in een praktijk landen. Dat is een waardevol besef! Het is echter jammer dat een aantal vragen – ook in de implementatiewetenschappen – weinig gesteld worden.

De eerste vraag heeft betrekking op de timescapes in het implementatiediscours. Welke veronderstellingen leven er over de snelheid waarmee nieuwe kennis van laboratorium naar praktijk moet reizen? In hoeverre zijn die veronderstellingen gerechtvaardigd? In hoeverre kun/mag/moet je verwachten dat professionele leerprocessen (professie = lerend beroep) zich met een bepaald tempo voltrekken en hoeveel tijd kun/mag/moet je dat proces gunnen?

De snelheid van ‘geplande praktijk veranderingen’ wordt vaak systematisch onderschat, maar komt dat niet omdat we geen reëel zicht hebben op de timescapes van veranderingen? Elke bedenker van nieuwe kennis of nieuw beleid denkt zijn of haar innovatie het belangrijkste in de wereld is, maar in praktijken moeten vele prioriteiten met elkaar concurreren.

De tweede vraag gaat over het stimuleren van implementatie. Nieuwe kennis moet zich bewijzen in praktijken. In dat licht kunnen ‘weerstanden’ in het translatieproces gezien worden als praktijktesten die nieuwe kennisclaims uiteindelijk robuuster maken.

Vanuit dat perspectief betekent teveel implementatieaandacht dat nieuwe kennis te weinig getest wordt op haar praktische robuustheid en niet de kans krijgt om zich in competitie te bewijzen. Doet implementatie geen afbreuk aan de kwaliteit van praktijken?

Het concept implementatie gaat over gestuurde verandering. De derde vraag luidt wie er eigenlijk aan het stuur zit, en of die wel de goede kant op gaat. Zogenaamde ‘weerstanden’ in implementatie kunnen er op duiden dat de wenselijkheid van de geplande verandering niet gedeeld wordt, bijvoorbeeld omdat beloofde voordelen in de praktijk anders uitpakken, omdat er verborgen machtsverschillen of morele conflicten zijn.

Implementatie stelt dus nadrukkelijk vragen over de moraal en de politiek van gestuurde verandering.

Blog voor het ZorgInstituut Nederland, juni 2016