Terwijl het nog niet zo lang geleden is dat patiënten alleen als lichamen werden gezien, is het adagium van de hedendaagse gezondheidszorg ‘heel de mens’. Wat dat precies betekent is echter zo helder niet. Communiceren, aandacht geven, luisteren. Dat is allemaal belangrijk (beetje aandacht voor de dokter doet wonderen!), maar er is geen recept voor hoe je dat goed doet.

Patiënten en dokters verschillen en in elk contact moeten arts en patiënt beide aftasten en uitvinden hoe het goed loopt. Er is geen model, geen magic bullet, geen standaard voor goede interactie, het is een zaak van uitproberen. Sommige filosofen noemen dat knutselen. Dat knutselen heeft echter niet alleen betrekking op het sociale verkeer tussen arts en patiënt.

Heel-de-mens-denken benadrukt het belang van een goede bejegening van patiënten, maar vergeet niet zelden dat ook de kennis van patiënten belangrijk is voor diagnose en therapie. In zijn Tedtalk over participatory health (Tedx Maastricht 2011) schetste de specialist Bas Bloem waarom hij de kennis van zijn parkinsonpatiënten over hun lichaam, hun ziekte en over zich zelf nodig heeft om voor hen een goede dokter te kunnen wezen.

De wetenschapsfilosofische implicaties van de notie participatory health zijn radicaal, omdat het principiële verschil tussen dokterskennis en patiëntenkennis verdwijnt. Het roept de vraag op hoe patiëntenkennis in evidence geïntegreerd kan worden en wat nieuwe conventies worden voor ‘goede kennis’. Het betekent ook voor heelde-mens-denken nog een extra opgave.

Er moet niet alleen ‘geknutseld’ worden aan goede dokter-patiënt relaties, maar ook aan de wederzijdse ontsluiting en afstemming van kennis over klachten, diagnose, ziekteverloop, genezen, revalideren en leven met ziekte.

Wat een vooruitgang valt hier de komende decennia te boeken!

Column in Praktijk, een uitgave van Maastricht Universitair Medisch Centrum+ voor huisartsen en andere verwijzers (2016-2)