De eerste tien jaar van mijn leven, we spreken over de jaren zestig, heb ik doorgebracht in een huis, waarvan het voorste gedeelte ingericht was als automatiek. Naast de drie automaten met kroketten, gehaktballen, bamiballen en nasischijven bevond zich een klein luikje. Als de bel ging, opende mijn vader het luikje om een bestelling voor patat, braadworst of ijs op te nemen. De menulijst liet zien hoe we ons verhielden tot de rest van de wereld. Bamiballen, nasiballen, braadworst: de horizon beperkte zich tot de voormalige koloniën en onze naaste oosterburen.
[Uit:  2013, Bestemming gewijzigd, Moderniteit en stedelijke transformaties, Huub Dijstelbloem, Rob Hagendijk, Hans Harbers en Pauline Terreehorst (red.)]
Snackbar2
Door de week werkte mijn vader in loondienst, maar op vrijdagavond, zaterdag en zondag was de automatiek geopend. Aanvankelijk werd die gezien als een opstap naar iets groters, een restaurant, maar zover is het niet gekomen. Elke dinsdag kwamen mijn grootouders aardappelen schillen, teilen vol. Op dinsdag- en woensdag werden die voorgebakken om aan de vraag naar patat in het weekend te kunnen voldoen. ‘Kwaliteit is onze reclame. Horstman automatiek’ stond op de puntzakken voor de patat.

Ons huis was gelegen aan de Stationsstraat in een klein dorp in de Drentse Veenkoloniën met een zich ontwikkelende bedrijvigheid zoals betonindustrie, een broodfabriek en een groenteveiling. Het is nog niet zo lang geleden dat ik me realiseer dat de ligging van onze automatiek wellicht geen toeval was. Reizigers komen vaak aan met een rammelende maag en iedereen die uit de trein stapte passeerde ons huis. Nu kwam de trein maar één keer per uur, dus het waren vooral gezinnen uit het dorp die in het weekend, na een hele week aardappelen, groenten en vlees, de vrouw des huizes ontlastten door een avondmaal bij mijn vader te halen.

Tegenwoordig, een halve eeuw later, kent het dorp meerdere snackbars. Het kleine luikje is vervangen door grote toonbanken en het assortiment is uitgebreid met artikelen die verraden dat dit dorp in Zuidoost-Drenthe behalve met de voormalige koloniën ook met Turkije, Egypte en Italië verbonden is geraakt. Maar ondanks de globalisering van de snackbar in het dorp, zijn het geen reizigers maar dorpsbewoners die de snackbar het meest bezoeken.

In deze bundel staat de vraag centraal hoe we de moderne stad kunnen duiden. In de inleiding is betoogd dat beelden van dorp en stad als respectievelijk sociale gemeenschap en geanonimiseerd en geïndividualiseerd leven, en de daarmee gepaard gaande morele oordelen, niet adequaat zijn. Veel dorpen hebben stadse trekken gekregen en moderne steden vertonen allerlei dorpse kenmerken. Wellicht, zo is de vraag gesteld, kunnen we beide beter duiden in termen van netwerken en knooppunten, verbindingen en scheidslijnen, dan in termen van een homogene karakteristieke identiteit. Dat zou ook de mogelijkheid bieden om de negatieve beelden over de stad in perspectief te plaatsen.

Dit hoofdstuk over de snackbar moet gelezen worden tegen de achtergrond van discussies over de stad. Welke knooppunten vormen de snackbars in de stad, welke scheidslijnen en verbindingen maken ze in de stad? Welke betekenis hebben snackbars in het moderne stadsleven en verschilt dat nu erg van het dorp? Om dat te achterhalen heb ik een kleine participerende verkenning gedaan in verschillende snackbars, op verschillende locaties in een middelgrote stad in het zuiden des lands, in Maastricht, de stad waar ik nu woon. De belangrijkste vraag die ik me daarbij stelde was welke verbindingen worden gearticuleerd door de betreffende snackbar en wat voor soort knooppunt ze vormt in de stad. Maar voor ik daar verslag van doe, schets ik eerst de veranderende blik op de snackbar die tegenwoordig steeds negatiever beoordeeld wordt.

Symbool van emancipatie – en van achterblijven
 
Hoewel de eerste globetrotters een grote keuken en voldoende personeel in hun gevolg hadden om ook onderweg goed te kunnen eten, vraagt het moderne reizen om snel en gemakkelijk eten. Gelegenheden voor een snelle hap zijn dan ook een vrijwel universeel verschijnsel. In Kenia ontwikkelen zich rond benzinepompen vaak kleine marktachtige handelsposten waar reizigers een snack kunnen nemen zoals sambusa en mandaazi, hartige of zoete gebakken deegflappen. En wie op het traject Moskou-Wladiwostock uitstapt, krijgt op de stations, zo heb ik me laten vertellen, lokale etenswaren aangeboden zoals gefrituurd deeg met schapengehakt.
 
Waar ’snel’ gereisd wordt, ontstaat ‘snel’ eten. Toch is de ene snackbar de andere niet. Wie in België fietst, zal zich verbazen over de frietkotten die overal in de middle of nowhere te vinden zijn: net op het moment dat na de zoveelste verraderlijke heuvel de pijp leeg is, duikt dan plotseling een aftandse caravan of een houten hutje op, waar frieten met saus geserveerd worden. In de Duitse Imbiss draait het om Wurst in plaats van frieten en elke stad of regio heeft haar eigen worstspecialiteit. (Flemming Olsen, 2012). Kortom, de snackbar heeft vele gezichten.
 
In een historische analyse van de snackbar in Nederland schetsen Van Otterloo en De la Bruheze hoe vanaf de jaren 1920, in de concurrentie tussen bakkers en slagers, de broodjeszaak en de lunchroom ontstonden, die met de melksalons, koffiehuizen en ijssalons een snelgroeiende stedelijke klantenkring van reizigers, theater- en bioscoopbezoekers, kantoorbedienden, en winkelend publiek bedienden. (Van Otterloo en De La Bruheze, 2003) Terwijl na de Tweede Wereldoorlog de lunchroom in populariteit afneemt, kan de snackbar, de kleine cafetaria, zich in een groeiende belangstelling verheugen. Met de totstandkoming van vestigingsregels, scholingseisen en wettelijke sluitingstijden wordt deze ‘kleine horeca’ een stabiel element in de Nederlandse eetcultuur.
 
De snackbar heeft volgens deze auteurs een specifieke betekenis gehad in de sociale verhoudingen in Nederland. Zij betogen dat de snackbar een sterke impuls heeft gegeven aan het ‘buiten de deur eten’ voor ‘de massa’, en op die manier heeft bijgedragen aan de culinaire emancipatie van de lagere middenklasse. De snackbar drukte uit dat een deel van de lagere klassen meer ‘gevestigd’ raakte . Op een vergelijkbare manier beschrijft de stadshistoricus van Rotterdam, Van de Laar, hoe de ‘kapsalon’ – de combinatie van patat met shoarma, kaas en saus, uitgevonden in Delfshaven door een Turkse fast food winkel en een Kaapverdiaanse kapper – een uitdrukking is van de ontwikkeling van een transnationale stedelijke cultuur in Rotterdam. (Van de Laar, 2012) Hij interpreteert nieuwe varianten van fast food zoals de ‘kapsalon’ als nieuwe verbinding tussen verschillende bevolkingsgroepen en ook als een uitdrukking van het gevestigd raken van nieuwe Nederlanders die eerder als buitenstaanders golden. (Van de Laar, 2011)
 
In een conversatie die ik onlangs hoorde, werd verteld dat een Limburgse jongen een ‘kapsalon’ bestelde bij een Turkse snackbar en dat de eigenaar weigerde om ‘die rotzooi’ klaar te maken: een gebeurtenis die mooi laat zien hoe lokale en exotische smaken met elkaar verweven raken maar ook hoe er weer nieuwe grenzen worden getrokken.
 
Obesitas epidemie
 
De mild positieve lezing van historici die zich buigen over de emancipatoire maatschappelijke betekenis van de opkomst van de snackbar en van de verschillende typen snacks ontbreekt in veel hedendaagse publicaties. Sterker nog, de snackbar staat tegenwoordig bijzonder laag in aanzien. Vanwege de lage prijs en de slechte kwaliteit van de voeding – een hoge energiewaarde, voornamelijk vet en suiker, een lage voedingswaarde, gebrek aan verse groente en fruit – worden de snackbar, en zijn moderne variant, het fast food restaurant, als grote boosdoeners van ‘de obesitas epidemie’ beschouwd. De snackbar schreeuwt ongezondheid. Daarnaast is de snackbar ook een symbool geworden van een slechte kwaliteit van leven: hij wordt verbonden met haast, ongeduld, instant-genot en anti-genot, vervreemding en ecologische onverantwoordelijkheid.
 
De introductie van termen als media snacking en digital fastfood voor de hang naar twitter en whatsapp heeft ook bepaald geen positieve teneur. Maar terwijl de hoger opgeleide elite, die zich is gaan identificeren met slow food en het sudderlapje koopt bij de biologische slager, neerkijkt op de snackbar als onderdeel van het dagelijks leven, is het voor deze hoger opgeleiden wel weer toegestaan om, vergezeld van uitdrukkingen van gecultiveerd verlangen naar ‘lekker slecht’, een patatje oorlog te halen. Juist deze vorm van ultiem snobisme laat zien dat het met de snackbar niet zo goed gesteld is.
 
De snackbar is een symbool van culturele armoede geworden, alleen te verdragen als camp. Vooral gezondheidsbevorderaars, voedingsonderzoekers en anderen die zich bezig houden met een gezonde leefstijl, zijn uitermate kritisch over de snackbar. Zij hameren erop dat mensen de ‘gezonde keuze ‘ moeten maken en dus fast food en snacks moeten mijden. Hoewel snackbars en fast food restaurants inmiddels gezondere vetten gebruiken, kleinere porties presenteren, en fruitsalades op het menu hebben, is de boodschap toch dat we er met een grote boog omheen moeten lopen, willen we gezond blijven. Mensen gaan tenslotte niet naar de snackbar voor de fruitsalade maar voor een patatje oorlog of een frikandel speciaal. Nu steeds meer blijkt dat mensen, hoeveel informatie ze ook hebben over calorieën, cholesterol en vitaminen, niet ‘bewust kiezen’ om de snackbar links te laten liggen, wordt daarbij veel verwacht van de verleiding, van ‘nudging’. Met de inrichting van de toonbank, zichtbaarheid, kleuren en prijzen moeten mensen naar de kroket geleid worden in plaats van naar de vettere varianten.
 
Hoewel sociaal geografen de negatieve visie op snackbars als bastions van ongezondheid delen, benadrukken zij dat gebruik van fast food amper een keuze is (Mulvany-Day, Womack, Oddo, 2012; Kwate & Meng Loh, 2010). Onderzoek naar voedingslandschappen in steden in de Verenigde Staten en in Europa heeft laten zien dat in sociaal-economische achterstandswijken de fast food dichtheid veel hoger is dan in welvarende buurten. (Whelan et al., 2002) Mensen in zogenaamde hogere sociaaleconomische statusbuurten worden veel minder aan snackbars blootgesteld. Natuurlijk komen ook zij op stations en vliegvelden, maar in hun eigen leefomgeving is de snackbar vrijwel afwezig. Omgekeerd worden arme wijken vaak gekenmerkt door moeilijke toegang tot gezond voedsel. Deze arme wijken, waar mensen zich weinig verplaatsen omdat ze geen werk en geen vakantie hebben, gelden als ’food deserts’. Voor een appel moeten mensen drie kilometer lopen, terwijl op elke straathoek een big mac met cola te krijgen is.
 
Patatpolitie
 
De snackbar is de laatste decennia van een symbool van emancipatie en sociale stijging, een symbool geworden van achterblijven en verval. Maar waar een eeuw geleden een beschavingsoffensief kon ontstaan rond normen voor hygiëne, zoals regelmatig wassen, tandenpoetsen, hand voor de mond bij het niezen en niet spugen, is dat nu rond ‘gezond eten’ toch ingewikkelder. Het idee dat de normen voor ‘goed eten’ van een hoogopgeleide elite maatgevend zouden moeten zijn voor verschillende groepen achterblijvers, staat op gespannen voet met een neoliberaal adagium dat iedereen zelf moet kunnen kiezen hoe hij of zij wil leven en voor die keuze zelf de verantwoordelijkheid draagt. Deze spanning kwam bij voorbeeld naar voren in discussies over de vraag of zich in de nabijheid van scholen wel snackbars mogen bevinden.
 
Een Amsterdams gemeenteraadslid stelde onlangs voor om snackbars in de buurt van scholen te vragen om voor de pauze van elf uur geen ongezonde waren te verkopen, zodat schoolkinderen zich niet ’s morgens al tegoed doen aan een broodje shoarma of een zak patat. Sommigen gaan nog verder en stellen zelfs voor om helemaal geen vergunningen te verstrekken aan snackbarhouders in de buurt van scholen. Anderen spreken echter van de opkomst van ’de patatpolitie’, plaatsen kanttekeningen bij de autoriteit van de voedingswetenschappen om te bepalen wat gezonde en ongezonde voeding is, en kritiseren de selectieve bemoeizucht van de overheid: wel ingrijpen in het alledaagse eten, maar zaken als het alledaagse graaien in de financiële wereld ongemoeid laten. Ze wijzen erop dat het vrij cynisch is om het eten in de snackbar aan banden te laten leggen door mensen die zelf wel in de gelegenheid zijn om hun eigen smaak te bevredigen. Deze discussies over de snackbar maken duidelijk dat de snackbar zijn onschuld heeft verloren. De snackbar van mijn vader – kwaliteit is onze reclame – bestaat niet meer.
 
Soorten en maten, van zoervleis tot soeflaki
 
Snackbars mogen een slecht imago hebben, we kunnen ze ook beschouwen als knooppunten in de sociale infrastructuur van een stad of een regio, die ons iets vertellen over de manier waarop fast food in de moderne maatschappij verbindingen legt en scheidslijnen trekt. Omdat de ene snackbar de andere niet is en omdat ze verschillend gelokaliseerd zijn in ‘de foodscape’, kunnen snackbars verschillende verhalen vertellen over de verbindingen in een stad. Maar welke verhalen? Via verschillende lijsten heb ik in Maastricht 51 snackbars geteld, die zich presenteren als snackbar, friture, cafetaria friture, eethuis friture, snackpoint en snacksons. Eéntje presenteerde zich als friture, barbecue, pizzeria en Griekse grillroom tegelijk. Sommige snackbars zijn van zelfstandige ondernemers, andere zijn onderdeel van een franchise keten, en een aanzienlijk deel is inmiddels in Chinese handen. Dit is echter geen representatief onderzoek, dus ik heb niet alle varianten bezocht. Toch kan deze impressie van de verschillende snackbars ons iets vertellen over de stad.

De eerste snackbar die ik bezocht, is tegelijk de oudste snackbar van Maastricht. Hij ligt in het centrum van de stad, aan de markt, naast McDonalds. Ongeveer vijftien meter voor de snackbar bevindt zich een grote ronde fontein. Op de rand zitten mensen met een rood geblokte, ‘hand gedraaide’ puntzak met frieten, sommigen met de lokale lekkernij ‘zoervleis’. Er is geen plaatsje meer vrij. De eerste conversatie die ik hoor is in het Duits. Een gezin met twee kinderen, bepakt en bezakt met boodschappentassen, alle gezinsleden met een zak patat. Verderop zit een stel dat Engels spreekt: ze pikken gezellig samen uit een puntzak. Daarnaast een Maastrichts echtpaar met plastic tassen van Durlinger en c&a. Duiven schuifelen over de grond en pikken restjes op.
 
Voor de snackbar staat een lange rij. Bij de ingang staat een bordje met de vermelding ’rechtshouden’. Het is een smalle gang naar binnen naar de toonbank, en de linker route in die gang is gereserveerd voor wie naar achteren doorloopt, naar het ’á la carte restaurant’ waar naast soep, biefstuk, schnitzel, halve haan en konijnenbout in het seizoen ook mosselen worden geserveerd. Maar de meeste klanten houden rechts, halen een puntzak en lopen weer naar buiten. In de rij staat een Aziatisch sprekend stel met een koffer, net aangekomen of op doorreis. Het pand oogt klein, vol en vettig. Vier mannen in witte t-shirts zijn druk bezig met bakken. Op het raam is een sticker geplakt die vertelt dat de zaak volgens de ’smaakpolitie’ oké is. Binnen geeft een klok van mvv, de Maastrichtse Voetbal Vereniging, aan hoe laat het is.

De volgende snack bar die ik aandeed, ligt in een buurt in een buitenwijk, in een half overdekt stukje winkelstraat. Op de overkapping staat ‘Be fit’, dus ik dacht even dat ik verkeerd was, maar als ik dichterbij kom zie ik dat zich er inderdaad een snackbar bevindt. Een lange verzorgde toonbank, een muur met spiegels en vazen met kunstbloemen, twee kleine tafeltjes voor wie binnen iets wil eten, een sigarettenautomaat en een tv in de hoek die beelden van autoraces laat zien, de laatste rit van Michael Schumacher. Niemand die erop let. Het is half zes en veel mensen halen hun zondagse maaltijd bij de frituur. Friet met sausen, frikadellen, kroketten, saté en sjasliek: soms bestellingen van meer dan dertig euro. Het is een meeneemzaak. De auto’s kunnen aan een pleintje voor de snackbar worden geparkeerd. De meeste mensen, ook zij die met de auto komen, komen echter uit de buurt. Ze groeten elkaar en sommigen wisselen even iets uit. Er worden in het Maastrichts grappen gemaakt over wie er aan de beurt is en uit de conversatie tussen klanten en de frietenbakker kun je opmaken dat sommigen min of meer vaste klanten zijn.
 
Gezinsvaders, gezinsmoeders, een keurige bejaarde mevrouw, een vrijgezelle man, een paar jongeren met een scooter, schat ik zo in. Op de toonbank ligt een folder van de Be-Fit store, met advertenties voor voedingssupplementen, afslanksupplementen, vechtsportartikelen en een foto van een mooie blondine met gewichtjes. Er staan plaatjes van grote potten proteïnen, aminozuren, creatine en magnesium. ‘Make sport your life style’. Ik bestel een kroket ‘uit eigen keuken’, maar als die klaar is, blijkt die een gekke toetervorm te hebben. Terwijl ik het geld op de toonbank leg, zegt de frietenbakker dan ook met een knipoog ‘laat maar zitten’. Ik mag hem zo meenemen.

Soms halen wij een zak ‘familie frites’ bij de snackbar die zich presenteert als frituur-grillroom-pizza en die ligt aan een doorgaande weg met veel verkeer en een ventweg. Aan de ventweg kunnen mensen kort even hun auto parkeren als er plek is. In de etalage valt de grote homp kebab aan een draaiend spit meteen in het oog. Daarnaast staat de grote friteuse waarboven vrolijke lichtbakken hangen met foto’s van diverse menu’s: souflaki, shoarma, kip spare ribs, lamskoteletten, köfte isis: vlees, patat, sla. Daarnaast is er Turkse pizza en op de kaart staat ook een vegetarische falafel. De meeste gerechten zijn verkrijgbaar in grote en kleine porties. In deze snackbar zijn drie setjes van een tafel en twee banken en er zitten twee mensen een broodje shoarma te eten. Achterin staan een tv en een groot aquarium, die een afscheiding vormen met een donkere ruimte achter waar soms het personeel, bezorgers of vrienden van het personeel zitten.
 
In deze frituur halen mensen iets te eten, maar er wordt ook bezorgd. Diverse klanten lijken hier weliswaar min of meer bekenden, maar toch is dit geen buurtsnackbar. Veel klanten komen uit andere buurten om hier eten of sigaretten te halen, of om het een of ander te bespreken en te overleggen. Sommigen schakelen moeiteloos tussen Maastrichts en Turks. Onze oude buurman, eigenaar van het toen nog bestaande Turkse koffiehuis, werkte vroeger soms ook in deze snackbar, en ik bedenk dat deze snackbar iets van de functie van het koffiehuis lijkt te hebben overgenomen. De leeftijd van veel klanten van de snackbar ligt wel lager dan bij het koffiehuis: oudere gepensioneerde mannen zie je er niet veel. In de bediening zie je veel verschillende gezichten. Er wordt uit een groot reservoir aan helpers geput, zo lijkt het.

Publieke familiariteit
 
De stadswandeling langs een aantal snackbars in Maastricht laat zien dat verschillende snackbars verschillende functies vervullen in de stad. De snackbar in het centrum van de stad is een snackbar waar mensen hun vrije tijd vieren. De snackbar is een soort openluchtmuseum en in die hoedanigheid verbindt hij toeristen uit alle windstreken en winkelend publiek uit heel Zuid-Limburg aan Maastricht. Mensen die een middag in Maastricht gaan shoppen, verheugen zich bij wijze van spreken al van te voren op de puntzak patat die ze later samen zullen halen. Daarmee versterkt deze gelegenheid de band tussen mensen onderling. Het hele gezin, oudere echtparen en jonge stellen, ze genieten vooral gezamenlijk van frieten met saus. Omdat men alleen maar vreemden tegenkomt op de rand van de fontein, hebben mensen vooral oog voor elkaar. Het is opvallend dat de aantrekkingskracht van deze snackbar niet schuilt in het uitgebreide assortiment. Hoewel er wel meer te krijgen valt dan frieten, halen de meeste mensen toch een puntzak. In deze snackbar vindt men alleen onvervalst lokale etenswaar en geen gerechten die associaties oproepen met warmere oorden. Het meest exotische gerecht is het lokale zoervleis. Voor sommige groepen is deze snackbar niet zo aantrekkelijk: de meeste scholieren gaan bijvoorbeeld naar de McDonalds er naast.
 
De snackbar in de buitenwijk legt heel andere verbindingen. Deze snackbar is, ondanks de twee kleine tafeltjes, niet primair een plaats waar mensen blijven hangen om te genieten van wat ze hebben besteld. Het is een plek waar mensen uit de wijk naar toe gaan om frieten, frikandellen en kroketten te kopen en mee te nemen naar huis, waar de anderen wachten op het eten. Mensen gaan niet voor de gezelligheid naar de snackbar, maar uit praktische overwegingen. Kinderen halen ´s middags een ijsje, volwassenen halen het avondmaal, pubers halen later op de avond nog iets voor bij de nachtfilm op televisie. Op deze manier verbindt ook deze snackbar privé relaties tussen mensen. Het assortiment in deze snackbar is vergelijkbaar met dat van die in het centrum van de stad, maar mensen lijken daaruit veel gevarieerder te kiezen: bij menige bestelling komt er een lijstje aan te pas.
 
De snackbar is geen knooppunt in de stad, maar een knooppunt in een wijk. Ze verbindt wijkbewoners die ten dele vaste klanten zijn: redelijk veel Maastrichtenaren, maar ook import en een enkele student. Deze wijk is geen gemeenschap in de klassieke betekenis van het woord. Gebouwd in de jaren zestig is het een zogenaamde lage sociaal- economische status wijk met problemen op het terrein van veiligheid. De sociale integratie is beperkt en veel bewoners hebben een negatief beeld van de wijk. Maar in de snackbar wordt gegroet en wordt soms verwezen naar lopende conversaties tussen eigenaar en klanten en tussen klanten onderling. Het weer is een dankbaar onderwerp. Uit onderzoek van Blokland komt naar voren dat veiligheidsgevoel in publieke ruimtes vooral te maken heeft met de mogelijkheden om korte, weinigzeggende contacten te hebben, zoals winkels en schoolpleinen. (Blokland, 2009) Plekken die zulke mogelijkheden bieden, zijn van groot belang voor ´publieke familiariteit´. Ze dragen bij aan een zekere mate van vertrouwen in een stad of wijk omdat ze de ervaring van gedeelde sociale normen tussen mensen die elkaar niet kennen bevorderen, die verder niet veel delen en niet veel samen doen maar wel samen de stad of de wijk vormen.
 
De snackbar kan bij uitstek gezien worden als een plek die bijdraagt aan publieke familiariteit. Eenvoudigweg groeten bij binnenkomst of lachen om de grap van een andere klant, creëert een gedeelde wereld. Dit trefpunt voor korte ontmoetingen legt cruciale verbindingen tussen bewoners van de buitenwijk, niet vanwege de stevigheid en intensiteit van de contacten maar vanwege hun lichtheid.  De ‘friture grillroom pizza’ is weer een heel ander verhaal. Deze frituur is een knooppunt in een veel ruimer geografisch vertakt netwerk dan het centrum van de stad of een buitenwijk. Deze frituur ligt ook niet aan een pleintje in een wijk, maar aan een belangrijke verbindingsweg tussen Maastricht centrum en de buitenwijken in Noordwest. Er komen geen toeristen. Er komen wel vaste klanten uit de buurten die aan de verbindingsweg liggen, ook studenten. Maar veel vaste klanten komen ook uit een wijdere omgeving.
 
De meesten komen met de auto, maar er staat ook wel eens scooter. De conversaties wekken de indruk dat er meer gedeeld wordt dan shoarma en patat, en er ook andere zaken worden besproken. Mensen lijken elkaar te kennen van andere netwerken, bijvoorbeeld de Turkse gemeenschap in Maastricht, de supermarkt, de school en de moskee. Deze snackbar verbindt het Nederlandse assortiment van frieten en frikadellen met Turkse en Zuid-Europese gerechten, verbindt verschillende talen en dialecten en heeft een gemêleerde klantenkring. In termen van Van der Laar, articuleert deze snackbar de moderne transnationale stad. Ze kan geografisch noch met het centrum van de stad noch met een buitenwijk geïdentificeerd worden omdat ze een groter geografisch netwerk verknoopt. In dat netwerk komen dorpse gemeenschapszin, stedelijke anonimiteit en culturele diversiteit samen.
 
Met het imago van de snackbar is het slecht gesteld. Als een symbool van emancipatie – geld hebben en de vrijheid genieten om soms buiten de deur te eten – is ze een symbool van cultureel verval geworden. De snackbar symboliseert een slechte kwaliteit van leven en ongezondheid in overvloed. Daarmee past de snackbar fraai in het plaatje van de stad als een anonieme en waarden-loze plek. Uit mijn stadswandeling blijkt dat dit beeld op zijn minst eenzijdig is. De focus op de kwaliteit van de voeding in hedendaagse debatten over fast food, brengt een zeker blindheid met zich mee voor de betekenis van snackbars in de moderne stad als een knooppunt in de publieke ruimte, en een bron van ‘publieke familiariteit’ in een wereld van verschil. Hoewel de ene snackbar de andere niet is, en ze verschillende functies hebben en andere netwerken verknopen, dragen ze allemaal op hun manier bij aan verbindingen die tegelijkertijd een lokaal en globaal karakter hebben.
 
De snackbar van vandaag biedt een venster op de stad en de wereld dat heel veel groter is dan het luikje waardoor mijn vader zijn klanten bediende.
 
Literatuur
  • Talja Blokland (2009). Oog voor elkaar. Veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • Flemming Olsen, J. (2012). In 16 Tagen um die Wurst. Eine Liebeserklarung an die deutsche Imbisskultur. München: Goldmann Verlag.
  • Kwate, N.O.A, J.Meng Loh (2010). ‘Separate and unequal: the influence of neighborhood and school characteristics on spatial proximity between fast food and schools’, in: Preventive Medicine, 51, p. 153-156.
  • Laar, P. van de (2011). The kapsalon. A case study on an urban fast food phenomenon. Lecture Studium Generale, Erasmus University, Rotterdam.
  • Mulvany-Day, N. C.A.Womack, V.M.Oddo (2012). ‘Eating on the run. Aqualitative study of health agency and eating behaviors among fast food employees’, in: Appetite, 59, p. 357-363.
  • Otterloo, A,H. van, S.A. de la Bruheze (2003). ‘Snacks, snackcultuur en buitenshuis eten in Nederland, 1920-1980’, in: Spiegel Historiael, nr. 3-4.
  • Whelan, A., N. Wrigley, D. Warm, E. Cannings (2002). ‘Life in a “food desert”’, in: Urban Studies, 39, p. 2083-2100.