Een bevreemdende observatie. In zijn werk Zorg en De Staat heeft De Swaan laten zien hoe in de 19e eeuw een start werd gemaakt met de collectivisering van de infectieziektebestrijding, als een uitdrukking van besef van toenemende interdependenties tussen mensen1. Met het groeiende sociale verkeer tussen arm en rijk konden de rijken zich niet meer veilig wanen in hun eigen wijken van de stad: iedereen kon getroffen worden door een epidemie, en door preventie – riolering, waterleiding, hygiëne en vaccinatie – zorgde men niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen.

De totstandkoming van deze preventieve voorzieningen vroeg om een bepaalde mate van solidariteit: iedereen moest meebetalen of anderszins bijdragen aan deze arrangementen. Diverse intermediairs tussen burgers en collectief – de dokter, de onderwijzer en de dominee – brachten deze ideologie tot uitdrukking.

In Podium voor Bio-ethiek, jrg 20 nr 1, pg 8-11, 2013 
‘Groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ in de vaccinatiepraktijk. Het gebrekkige sociale leven van kernnoties uit de infectieziektebestrijding, Klasien Horstman, Els Geelen, Hans van Vliet, Pieter de Hoogh

Het besef van interdependentie ten aanzien van infectieziekten vormde de achtergrond bij de totstandkoming van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Vaccineren doe je namelijk niet alleen. Door te vaccineren beschermen mensen zichzelf maar ook elkaar tegen de ernstige gevolgen van infectieziekten.

De laatste decennia zien we in de publieke gezondheidzorg echter discours ontstaan waarin het belang van individuele autonomie sterk wordt benadrukt. Dat roept de vraag op of noties zoals afhankelijkheid en solidariteit nog wel een bloeiend sociaal leven leiden in de hedendaagse vaccinatie praktijk. Om zicht te krijgen op het sociale leven van ‘groepsbescherming’ en ’solidariteit’ hebben we de gekeken op verschillende plekken binnen de vaccinatiepraktijk. We hebben consulten geobserveerd in reguliere (91) en antroposofische (20) consultatiebureaus in Zuid, Oost en Midden/West Nederland.

Tot onze verbazing werden in al die consulten ‘groepsbescherming’ en solidariteit’ of verwijzingen daarnaar niet één keer ter sprake gebracht. Vervolgens hebben we gekeken naar voorlichtingsmaterialen van het RIVM (brochures, filmpjes, website) en hebben we interviews gehouden met jeugdartsen en -verpleegkundigen (21), en met ouders (16 ouders, 4 ouderparen) van kinderen in de leeftijd van 1-4 jaar. Het zal blijken dat de notie ’solidariteit’ ook daar amper leeft.

Het leven van ’groepsbescherming’ en ’solidariteit’ in vaccinatie voorlichting

Gezien feit dat het RIVM een grote waarde hecht aan een hoge vaccinatiegraad, is het opmerkelijk dat voorlichtingsmateriaal van het RIVM amper aandacht besteedt aan deze noties2. Daarin wordt vooral gewezen op ‘de gezondheid van kinderen’ als een argument om te vaccineren.

‘Inenten is belangrijk voor de gezondheid van kinderen. Door kinderen in te enten zijn ze beschermd tegen twaalf ernstige infectieziekten. Kinderen kunnen heel erg ziek worden of zelfs overlijden door deze infectieziekten. Maar niet elk kind wordt altijd ernstig ziek. Maar dat weet men nooit zeker. Daarom is het verstandig om kinderen te laten inenten. De meeste ouders doen dat ook. In Nederland is 95% van alle kinderen ingeënt.’  

Na een keer doorklikken vinden we:

‘Een hoog percentage [van vaccineren] is belangrijk om de infectieziekten buiten de deur te houden. (…) Als meer dan 90 procent van de kinderen en volwassenen is ingeënt wordt de mogelijke verspreiding door die overige 10 procent geneutraliseerd door de 90 procent eromheen. Dat effect heet groepsimmuniteit.’ (http://www.rivm.nl/Onderwerpen/Onderwerpen/R/Rijksvaccinatieprogramma/Inenten_beschermt/Waarom_inenten)

De term ‘groepsimmuniteit’ wordt hier wel genoemd, maar het wordt gepresenteerd als een ‘feit’ en niet als een reden om te vaccineren. Het wordt ook niet verbonden met normatieve noties zoals collectieve verantwoordelijkheid en solidariteit. In haar voorlichting doet het RIVM geen expliciet appel op de lezer om ook ‘groepsbescherming’ te betrekken in de overwegingen om te vaccineren.

Het leven van ‘groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ onder professionals en ouders

Voor professionals in de reguliere consultatiebureaus bleek het behalen van een hoge vaccinatiegraad ook zeer belangrijk. Toch verwezen ze in de contacten met ouders zelden naar ‘solidariteit’ en  ‘groepsbescherming’. Ze vertelden deze onderwerpen  alleen te bespreken  als ouders twijfelden over vaccinatie, als overtuigingsmiddel.

’Dan [als ouders bezwaren hebben] licht ik ze voor over wat de consequenties zijn (van niet vaccineren), waarom gevaccineerd wordt, dat je op populatieniveau een stuk bescherming hebt. En dan zie je vaak dat mensen daar niet over hebben nagedacht, of zeggen van hee dat iets dat ik niet overwogen heb. (een jeugdarts)

‘Daar heb ik het over, als mensen niet willen vaccineren, dat ze voordeel hebben van de groep. Die groep moet niet te groot worden.’ (een andere jeugdarts)

Voor de meeste ouders die hun kinderen wel vaccineerden bleken de ideeën ’groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ niet te leven. Ze hadden niet nagedacht over deze noties en de professionals op het consultatiebureau hadden ze niet aangeroerd. Toen ze er door ons tijdens de interviews naar werden gevraagd, bleken ouders ze niet van groot belang te vinden voor hun besluit om hun kind te vaccineren. Bij vaccineren dachten ze vooral aan de gezondheid van hun eigen kind. Zo vertelden moeders:

‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht, dat ik inderdaad solidair ben. Ik denk wel dat het iets bijdraagt [aan bescherming van anderen] maar dat is geen reden om het te doen. Dat is dan toch meer uit bescherming voor hem [kindje].’

‘Ik zie het in eerste instantie als bescherming echt voor mijn kind zeg maar, maar indirect heb je natuurlijk ook bescherming voor andere kinderen. Maar zoals we nu erover praten, kwam het eerste in me op, bescherming voor A [kindje], omdat zij de prikken ondergaat, en zij dan die kinderziektes niet krijgt.’

In de meeste reguliere consultatiebureaus werd vaccinatie als een vanzelfsprekende routine aangekondigd en uitgevoerd,’vandaag gaan we vaccineren’ en verhalen over de rationale van vaccinatie pasten niet in de constructie van vanzelfsprekendheid. Wat van zelf spreekt, behoeft immers geen uitleg.

Ouders die hun kind níet vaccineerden, bleken vaak wél nagedacht te hebben over groepsbescherming, maar zij relativeerden het belang van dit argument. Sommigen, zoals deze twee moeders ,betwistten de kennisclaims rond het idee van groepsimmuniteit of groepsbescherming:

‘Dat zegt iedereen, jij kunt jouw kind niet vaccineren omdat al die andere mensen dat wel doen. Ik denk daar iets genuanceerder over. (….) Er zijn kinderen die gevaccineerd zijn, die toch de ziekte krijgen, dus het is helemaal geen 100% garantie, het is 90% of whatever. Dat ten eerste. (….)  Maar het is ook zo dat heel veel van die ziektes al heel veel minder voorkwamen, ik heb de statistieken wel gezien, voordat die grote massale vaccinatie programma’s begonnen.’

‘Ik denk ook dat een hoge vaccinatiegraad niet zaligmakend is. Ja, je ziet dat kinkhoest nu ook veel eerder bij jonge kinderen voorkomt, terwijl dat vroeger niet het geval was. Door al dat inenten is er ook een en ander verschoven, dus het is een beetje te simpel om dan te zeggen van ja die hoge vaccinatiegraad is goed, en daar kun je maar beter aan bijdragen, anders, ja, ben je een profiteur.’

Deze ouders benadrukken bovendien dat ze niet afgeschilderd willen worden als mensen die het belang van gemeenschapszin niet zien.

‘Ik ben een heel fatsoenlijke burger, ik ben echt, ik ben gewoon tegen zwart werken (…) Ik doe niet zoveel in de samenleving, maar ik vind wel dat we met elkaar een samenleving vormen.’

In ons onderzoek stuitten we dus op het fenomeen dat ouders, voor wie vaccineren geen vanzelfsprekende routine was, het meeste te vertellen hadden over ’groepsbescherming’ en ’solidariteit’. Ze gaven weliswaar een specifieke betekenis aan deze noties, maar ze leefden wel voor hen.

Een gebrekkig sociaal leven

Uit ons onderzoek bleek dat ‘groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ geen bloeiend sociaal leven leiden in de vaccinatiepraktijk, noch in de voorlichting, noch op de consultatiebureaus. De rationale en legitimatie van het Rijksvaccinatieprogramma, namelijk wederzijdse afhankelijkheid, waar in de 19e eeuw veel werk van werd gemaakt, wordt niet meer gearticuleerd en is dus goeddeels onzichtbaar geworden. 

De vraag hoe dit te duiden is niet eenvoudig te beantwoorden. Processen van individualisering hebben waarschijnlijk hun sporen achtergelaten in de vaccinatiepraktijk. Daarnaast kunnen we denken aan een politieke cultuur waarin respect voor ieders eigen opvattingen en geloof, en dus ook die van een streng protestantse minderheid die vaccinatie op religieuze gronden afwijst, leidt tot taboeïsering van groepsbescherming en solidariteit: de snelle associatie tussen solidariteit en vaccinatieplicht die niemand wil, maakt ook solidariteit anathema. Een andere, wat triviale reden kan zijn dat een stabiel hoge vaccinatiegraad nadere uitleg over het waarom overbodig lijkt te maken.

Hoe het ook zij, een vaccinatiepraktijk die leunt op routinematige vanzelfsprekendheid, die geen aandacht besteed aan ‘groepsbescherming’ en ‘solidariteit’, raakt losgezongen van haar oorspronkelijke doelen. Is dat erg? In het licht van de ongewisse situatie rond nieuwe opkomende infectieziekten en antibiotica-resistente bacteriën is een gebrekkige verankering van besef van wederzijdse afhankelijkheid, groepsbescherming en solidariteit in de vaccinatiepraktijk en in het alledaagse culturele leven, een risico.

Om ‘groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ weer vitale ingrediënten te maken in de vaccinatie praktijk, zijn echter geen wetten of regels nodig die tot solidariteit verplichten, maar verhalen en beelden. Een vaccinatie praktijk waarin geen verhalen worden verteld over ‘groepsbescherming’ en ‘solidariteit’ verliest haar ideologische en normatieve basis en loopt de kans aan vanzelfsprekendheid en gebrek aan reflexiviteit ten onder gaan.


1. A. de Swaan, Zorg en De Staat. Welzijn, Onderwijs En Gezondheidszorg In Europa En De Verenigde Staten In De Nieuwe Tijd. Amsterdam, Bert Bakker, 2004.

2. http://www.rivm.nl/Onderwerpen/Onderwerpen/R/Rijksvaccinatieprogramma