Bijna 50 jaar geleden publiceerden Brinkgreve, Onland en De Swaan het boekje ‘De opkomst van het psychotherapeutisch bedrijf. Sociologische studie over de ontwikkeling van de psychotherapeutische hulpverlening in Nederland vanaf 1940 tot 1978’.
In dit boek beschreven ze de goeddeels impliciete regels van de psychotherapeutische setting, en lieten ze zien aan welke eisen mensen moesten voldoen om ‘geschikt te zijn voor psychotherapie’. Veel mensen die niet aan die impliciete regels voldeden, waren ‘’therapie-ongeschikt’’. Zij kregen dus ook geen erkenning voor hun lijden.
Ik moest eraan denken bij het gesprek dat Poli+ organiseerde over de rol in de GGZ. Poli+ is een platform voor inclusie van mensen met een laag IQ in de GGZ en tegen discriminatie van mensen met een zogeheten ‘licht verstandelijke beperking ‘ (LVB). Wat een belangrijk onderwerp. In een wereld die is ingericht op mensen die snel, taalvaardig en digitaalvaardig zijn, is de zorg voor steeds meer mensen de facto ontoegankelijk. In hoeverre speelt IQ een rol in oftewel uitsluiting of juist soms ook problematisering in de GGZ?
Onder leiding van Erica Aldenkamp gingen Judi Mesman, Jannelien Wieland en ik in gesprek over de bredere context van en de aannames bij IQ en uitsluiting in de GGZ.





